Picasso

Bergachtig Landschap, geschilderd in 1896 in Málaga

Pablo Ruiz Picasso werd geboren op 25 oktober 25 1881 als eerste kind van José Ruiz Blasco en Maria Picasso y Lopez. De familie woonde in die tijd in Málaga, waar José tekenleraar was aan de plaatselijke ambachtsschool. De eerste tien jaar van zijn leven bleef Picasso in Málaga. De familie was verre van rijk en toen er nog twee kinderen werden geboren, was het vaak moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen.

Toen José een beter betaalde baan kreeg aangeboden, nam hij die meteen aan en verhuisden de Picasso's naar provinciehoofdstad La Coruña, waar ze vier jaar zouden blijven. Hier ging Pablo in 1892 naar de kunstacademie, maar het meeste leerde hij van zijn vader. In 1894 was Pablo's werk al zo goed voor iemand van zijn leeftijd, dat zijn vader zijn talent erkende, hem zijn palet en penselen gaf en verklaarde dat hij nooit meer zou schilderen.

In 1895 werd José professor aan La Lonja, de School voor Schone Kunsten in Barcelona, en de familie vestigde zich daar. Pablo slaagde voor het toelatingsexamen voor een gevorderdencursus in klassieke kunst en stilleven aan dezelfde school.

Tekening door 9-jarige Picasso

"Anders dan in de muziek zijn er geen wonderkinderen in de schilderkunst. Wat mensen beschouwen als een jong genie is het talent van de jeugd. Het verdwijnt geleidelijk als ze ouder worden. Het is mogelijk dat zo'n kind later een echte schilder wordt, misschien zelfs een groot schilder. Maar hij zou helemaal vanaf het begin moeten beginnen. Waar het mijzelf betreft, ik bezat dat talent niet. Mijn eerste tekeningen zouden nooit op een tentoonstelling van kindertekeningen te zien zijn geweest. Het ontbrak mij aan de onhandigheid van een kind, zijn naïviteit. Ik maakte op mijn zevende academische tekeningen, waarvan de uiterste precisie me beangstigde."

In Barcelona was hij vaak te vinden in Els Quatre Gats (De Vier Katten), het café waar artiesten en intellectuelen elkaar ontmoetten. Hij raakte bevriend met onder anderen de jonge schilder Carlos Casagemas en de dichter Sabartés, die later zijn secretaris en vriend voor het leven zou worden. In Quatre Gats ontmoette Picasso de vertegenwoordigers van het Spaanse modernisme, zoals Rusinol en Nonell. Hij was erg enthousiast over nieuwe stromingen in de kunst, zei het classicisme vaarwel en begon zijn eeuwige zoektocht en experimenten. De relatie met zijn ouders raakte gespannen, omdat ze zijn verraad aan het classicisme niet konden begrijpen noch vergeven.

Carlos Casagemas in 1899

In oktober 1900 vertrokken Picasso en Casagemas naar Parijs, in die tijd het belangrijkste artistieke centrum, hielden atelier in Montmartre. Kunsthandelaar Pedro Manach bood Picasso zijn eerste contract aan: 150 franc per maand in ruil voor schilderijen. Zijn eerste Parijse werk is Le Moulin de la Galette. In december vertrok hij naar Málaga en Madrid waar hij redacteur werd van Arte Joven. Maar al in mei 1901 keerde hij terug naar Parijs. Deze rusteloosheid kenmerkt zijn hele verdere leven. Hij vestigt zich later wel min of meer, maar nooit echt helemaal.

In februari 1901 pleegde Picasso’s vriend Carlos zelfmoord: hij schoot zichzelf dood in een Parijs' café omdat de vrouw van wie hij hield hem had afgewezen. Zijn dood was een schok, Picasso kwam er steeds weer op terug: met de Dood van Casagemas, en hetzelfde thema in blauw, De begrafenis van Casagemas. In de greep van rusteloosheid en eenzaamheid reisde hij constant heen en weer tussen Parijs en Barcelona, in blauw schilderend over thema's als isolement, ongeluk, wanhoop, ellende, lichamelijke zwakte, ouderdom en armoede.

La Vie (1903)

Voordat hij op het idee van kubisme kwam, probeerde hij een enorme hoeveelheid stijlen - realisme, karikatuur, de Blauwe Periode en de Roze Periode. Zijn Blauwe Periode duurde van 1901 tot 1904 en werd gekenmerkt door een overwegend blauw palet en onderwerpen als verschoppelingen, bedelaars en prostituees. In deze tijd maakte hij ook zijn eerste beeldhouwwerken. Het hevigste werk in deze stijl is La Vie (1903). Het schilderij begon als een zelfportret, maar Picasso's gelaatstrekken werden die van zijn verloren vriend Casagemas. De Roze Periode begon rond 1904 toen Picasso's palet opfleurde, de schilderijen worden overheerst door tinten roze, beige en lichtblauw. Zijn onderwerpen waren circusmensen, harlekijns en clowns, die allemaal zwijgend en inactief lijken.

Picasso zou gedurende zijn lange carrière een hele reeks kubistische stijlen creëren. Na het schilderen van stillevens, gebruikmakend van letters, trompe l'oeil-effecten, kleur en gestructureerde verfoppervlakken, maakte Picasso in 1912 Stilleven met Stoelmatten, een ovaal schilderij dat een cafétafel in perspectief omgeven met een touw voorstelt. Op het oppervlak geplakte materialen contrasteren met geschilderde versies van hetzelfde materiaal.

Picasso in 1885

Hij maakte vanaf 1914 fascinerende theater-decors en kostuums voor het Ballet Russe, keerde in de jaren '20 naar een rijke klassieke stijl, maakte adembenemende contourtekeningen, deed tussen 1925 en 1935 aan surrealisme en kwam weer terug bij het classicisme.

Picasso woonde tijdens de oorlog in Parijs, waar hij sombere schilderijen in semi-abstracte stijlen maakte, vaak van schedels, gevilde dieren of een afgrijselijk knekelhuis. Na de oorlog werd hij lid van de communistische partij en schilderde twee grote werken die Amerika veroordeelden voor zijn betrokkenheid in de Koreaanse oorlog. Hij stortte zich enthousiast op beeldhouwen en pottenbakkerij en werd op latere leeftijd geheel in beslag genomen door een reeks maîtresses en vriendinnen, van stijl veranderend om zijn liefde voor elk van hen tot uitdrukking te brengen. Uiteindelijk maakte hij magnifieke variaties op thema's van oude meesters zoals Diego Velazquez. Alles waar Picasso de hand in had, droeg de onmiskenbare sporen van een groot genie.

Picasso